Over Holebi's, gender, flexen, players en metroseksuelen.



Persbericht Centrum Gelijke Kansen Beleid
VLaams onderzoek brengt het discours van jongeren over gender en holebiseksualiteit in kaart
.
“Over Flexen, players and metroseksuelen”

Het Steunpunt Gelijkekansenbeleid, Universiteiten Antwerpen en Hasselt, voerde een onderzoek naar het discours van jongeren over holebiseksualiteit. Dit onderzoek sluit aan bij een grootschalig kwantitatief onderzoek waarbij 4000 jongeren werden bevraagd. Uit dit kwantitatief onderzoek blijkt dat jongens een meer negatieve houding aannemen ten opzichte van holebi’s dan meisjes. Bovendien blijkt dat holebi’s een meer progressieve houding aannemen met betrekking tot traditionele man-vrouw rolpatronen (bv. de vrouw aan de haard, de man die carrière maakt) dan hetero’s. In dit kwalitatieve onderzoek brengen we in kaart hoe jongeren denken over traditionele man-vrouw rolpatronen en hoe dit samengaat met een positieve of negatieve houding ten opzichte van holebiseksualiteit.

Voor dit onderzoek werden 12 groepsinterviews afgenomen met in totaal 29 jongeren. Het onderzoek had een bijzonder onderzoeksopzet. Aanvankelijk werden de jongeren ingedeeld in vier afzonderlijke groepen (homo- en biseksuele jongens, lesbische en biseksuele meisjes, heteromeisjes en heterojongens). In een latere fase van het onderzoek werden groepen tegenover elkaar geplaatst om ze met elkaars meningen en visies te confronteren.

Enkele opmerkelijke resultaten en stellingen uit het onderzoek:

Heterojongeren denken eerder traditioneel over mannelijkheid en vrouwelijkheid. Voor heterojongens is “de stoere macho” nog altijd een ideale zelfrepresentatie. Heteromeisjes willen gelijkheid met betrekking tot huishoudelijk werk en wijzen dominante mannelijkheid af. Hun beeld van de ideale partner is echter nog altijd dat van de stoere beschermer.

“Jongens huilen niet, meisjes moeten zich gedragen!”. Heteroseksuele jongeren staan eerder negatief tegenover zij die afwijken van traditionele rolpatronen:

Voor meisjes heeft dit tot gevolg dat zij voor bepaalde gedragingen niet volgens dezelfde maatstaf beoordeeld worden. Meisjes worden sneller berispt voor bepaalde daden. De stelling “jongens zijn players, meisjes zijn sletten” verwijst naar het aanvaard zijn van losse partners bij jongens maar niet bij meisjes. Van meisjes wordt weinig of niet aanvaard dat ze dronken zijn, voor jongens is dit normaal. De onderdanige positie van meisjes blijkt verder uit de betekenisgeving van deze jongeren. Eén meisje in een groep jongens is kwetsbaar, één jongen in een groep meisjes is een “player”, een “pimp”, iemand die meester is over de situatie.

Voor jongens heeft dit tot gevolg dat er een taboe heerst wat betreft het onderling tonen van emoties en affectie. Jongens doen dit enkel in een privé-situatie, wanneer ze zich minder geremd voelen (bv. als ze dronken zijn) of op een verhulde manier (bv. in een sportsituatie).

Holebiseksuele jongeren benadrukken de positieve aspecten van het doorbreken van rolpatronen. Volgens hen worden vrouwen dan minder beperkt in wat ze al dan niet mogen doen, zijn partnerrelaties dan authentieker en is het doorbreken van rolpatronen binnen de opvoeding een goede zaak voor kinderen.

Het discours over “de metroseksueel” weerspiegelt het herkennen van een nieuwe vorm van mannelijkheid waarbij jongens meer ‘in het reine’ zijn met hun vrouwelijke kant. De jongeren zien de metroseksueel wel als een concept dat een op consumptie gerichte lobby (reclamemakers e.d.) hen in zekere mate opdringt. De metroseksueel bevestigt zowel traditionele rolpatronen (‘hij is stoer, mannelijk, niet homo’) dan dat hij ze doorbreekt (‘hij is bezorgd over zijn uiterlijk, helpt in het huishouden’).

Er schuilt een heteronormatieve paradox in de houding die jongeren aannemen ten opzichte van holebiseksualiteit. Zo veronderstellen ze enerzijds dat er steeds een mannetje en een vrouwtje is in een holebirelatie. Anderzijds zien ze de opvoeding van een kind door een holebikoppel als inadequaat omdat er dan een moeder- of vaderfiguur ontbreekt.

Een tweede paradox vertaalt zich enerzijds in een door heterojongeren ‘niet willen weten’ van aspecten die met holebiseksualiteit te maken hebben en anderzijds in een overdreven en intimiderende nieuwsgierigheid die ze aan de dag leggen met betrekking tot intieme en seksuele aspecten van holebiseksualiteit.

Lesbiennes zijn minder zichtbaar omdat er minder stereotiepen zijn over de ‘mannelijke lesbo’ dan over de ‘verwijfde janet’. Dit heeft te maken met de maatschappelijk ruimere grenzen met betrekking tot wat als vrouwelijk wordt gezien. Een meisje die een broek draagt is geen lesbo, een jongen met make-up wordt al snel als homo gezien.

De houding van heterojongens ten opzichte van holebiseksualiteit uit zich in de stelling “homo’s zijn vies, lesbiennes zijn sexy”. Het maatschappelijke taboe op intimiteit tussen jongens wordt uitvergroot in het door heterojongens sterk afwijzen van seksuele relaties tussen jongens. De positieve houding ten opzichte van lesbiennes is dan eerder ingegeven door een seksueel ideaalbeeld dan door een holebivriendelijke houding.

Naast holebinegativiteit uit zich ook een holebipositieve houding in het discours van heterojongeren. In het bijzonder heteromeisjes identificeren zich gemakkelijk met homojongens wat vriendschap tussen hen meer evident maakt.

De zichtbaarheid van holebileerkrachten op school baadt vaak in een sfeer van verdachtmaking, roddel, speculaties en taboe. De holebiseksuele voorkeur van een leerkracht is op school vaak een ‘publiek geheim’.

Bron: Alexis Dewaele,
Steunpunt Gelijkekansenbeleid (Consortium Universiteit Antwerpen - Universiteit Hasselt).

Dit bericht is gepost op 04 May, 2009 en 3608 keer gelezen.



Reageer op dit bericht: